Sinds het Europese Grossmann arrest uit 2004 doen aanbestedende diensten in aanbestedingsgeschillen regelmatig een beroep op rechtsverwerking als meest verstrekkend verweer. In sommige gevallen doen zij dat met een expliciet beroep op Grossmann, soms met een beroep op het nationale leerstuk van rechtsverwerking en soms gecombineerd. Het onderwerp rechtsverwerking is in uitspraken van de rechter en adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts veelvuldig aan bod gekomen. Tot 2019 bestond lange tijd het beeld dat sprake was van een bestendige lijn in de jurisprudentie. Als een klagende inschrijver vóór inschrijving vragen had gesteld en/of bezwaren had geuit maar vervolgens geen actie ondernam, werd het beroep van aanbestedende diensten op rechtsverwerking vrij snel door rechters aangenomen.
In 2019 verschenen enkele uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland die het nodige stof deden opwaaien. In deze uitspraken is kort samengevat geoordeeld dat van een inschrijver niet kan worden verlangd dat hij vóór inschrijving een kort geding aanhangig maakt als de aanbestedende dienst zijn geuite bezwaren heeft verworpen. In de periode hierna namen (ook andere) rechtbanken en hoven het rechtsverwerkingsverweer van aanbestedende diensten steeds minder snel aan.
Om weer grip te krijgen op rechtsverwerking bij aanbesteden hebben Nienke Keus en Sanne Groenwold onderzocht of in de periode tot en met 2018 inderdaad sprake was van een bestendige lijn in de jurisprudentie. Daarnaast hebben zij onderzocht of deze lijn in de periode vanaf 2019 is losgelaten en of er mogelijk een nieuwe bestendige lijn in de jurisprudentie is ontstaan. In het onderzoek hebben zij uitspraken van de rechter en adviezen van CvAE betrokken waarbij de aanbestedende dienst een beroep op rechtsverwerking heeft gedaan, al dan niet met een verwijzing naar het Grossmann arrest.
Het resultaat van dit onderzoek is gepubliceerd in het Tijdschrift Aanbestedingsrecht en Staatssteun nummer 5, oktober 2022, SDU.
Download publicatie